Daar heb je wat aan…

Er brandt een lampje in mijn auto. Ik houd niet van brandende lampjes op plekken waar dat niet zou moeten. Om heel eerlijk te zijn weet ik niet eens of ik het vandaag voor het eerst zie of dat mijn natuurlijke reactie was dat ik het wel eerder gezien had, maar niet registreerde. Zo van; zie ik het probleem niet, is er geen probleem. Dan gaat het vast vanzelf wel over. Mijn auto denkt daar anders over. Het begint licht te protesteren door wat minder soepeltjes te lopen, wat na een poosje overgaat in dreigen met afslaan. Ok, ok. Ik snap de hint. Probleem geregistreerd en bijgeschreven op het lijstje met actiepunten.

Snel naar huis dan maar. Paar straten verderop rij ik weer terug om mijn bijna vergeten dochter alsnog van school op te halen (oeps). Toch vertederend hoe dochterlief mij enigszins moed inpraat als dat lampje-wat-niet-hoort-te-branden ook nog eens begint te knipperen.
“Rustig maar mama, het komt allemaal goed.” Om mij vervolgens vierkant uit te lachen als ik nog verder in de stress schiet als de auto ook nog eens andere vreemde kuren begint te krijgen.
“Oh mam kijk, allemaal rook!”
“He, wat, waar, nee he..”
“Grapje…!”
Fijn, heel fijn. Schattig. Leuk van je. Ze komt niet meer bij van het lachen.
“Om de spanning een beetje te breken”, zegt ze dan ook nog met een grote grijns. Ondertussen knippert het lampje dan weer wel, dan weer niet, rijdt de auto zoals het hoort, dan weer niet. Ik vertrouw het voor geen meter. Ik zie me al midden op een druk kruispunt stilstaan, of op de rondweg waar geen andere auto meer langs zou kunnen. Dochterlief doet er nog een schepje bovenop en bedenkt al plekken waar we het beste zouden kunnen stranden wil de verkeerschaos op zijn best zijn. Mijn steun en toeverlaat…

Eindelijk rijden we onze wijk in. Nog maar een paar straten en ja; we hebben het gehaald. Bij thuiskomst het auto boekje er maar bij gepakt.
“Indien lampje knippert, bel direct de garage.” Het blijkt het lampje van de motor te zijn. Ik voel mijn portemonnee al jeuken. Vanmiddag nog maar eens de halve stad door rijden en hopen dat ik ook daar ongeschonden aankom.
Ik denk dat ik dochter maar thuis laat.

Zo mooi, zo mooi

Gewoon vol blijven houden dat je vakantie hebt tussen de werkdagen door. Dochter heeft dat in ieder geval nog wel. De zon blijft onverminderd schijnen, het temperatuurtje is prima; wij gaan een dagje op stap. Haar ik-hoef-lekker-niks-vakantiekapsel (borstel, hoezo borstel, hup in een knotje is net zo makkelijk) wordt een strak gestylde coupe. (Oooh haar mooie krullen, er zijn maar weinig mensen die weten hoe mooi haar haar over haar rug kan golven…) Haar trainings- of pyamabroek verwisseld voor een vlot zomers rokje. Eyeliner strak, mascara voor vollere wimpers en een tasje aan haar arm; we zijn er klaar voor.

De terrasjes zitten vol, de plaatselijke dorpsgek zingt al dansend een vrolijk liedje op het marktplein en boven de slenterende mensen zijn de straten versierd met kleurige paraplu’s. Hè, wat een gezelligheid.

Zoals zo vaak werp ik een blik op mijn dochter. Ik heb echt de mooiste dochter van de hele wereld. Ik weet het, geen enkele moeder of vader zal het met me eens zijn, maar het is echt waar. En dat ik haar zo’n prachtige meid vind is één ding, maar waar ik na een paar jaar nog steeds niet aan kan wennen is dat er geregeld een jongmens haar te lang aan blijft staren of zelfs na kijkt. Raar gevoel hoor; aan de ene kant supertrots zijn en aan de andere hem wel een draai om z’n oren willen geven. Niet te geloven dat mijn kleine, blonde, eigenwijze meisje met heerlijk dikke knijpwangetjes ineens rondloopt als een prachtige jonge vrouw. Overigens nog steeds eigenwijs.

Oh, ik hoop maar dat ze dit niet leest. Niks gênanter dan een pochende moeder – op internet notabene! Een regelrechte verschrikking als je bijna 15 bent.
Rollende ogen, boze blik en een diepe zucht.
Ai.
Sorry dochter…